17 april 2002 organiseerde VIVID vormgeving in samenwerking met de Rotterdamse Kunststichting het debat Vormgevings Erfgoed in Zaal de Unie in Rotterdam.
Een debat met:

Wim Crouwel
Karin van der Heiden
Eng Bo Kho
Timo de Rijk

Moderator: Christine de Baan.

De tentoonstelling Letters van Crouwel bij VIVID vormt de aanleiding voor een debat over vormgevingserfgoed.
Voor het relatief jonge vakgebied ontwerpen is het vormgevingserfgoed een verwaarloosd aandachtsgebied. Dat geldt zowel voor musea als culturele instellingen. Een groeiend aantal collecties en archieven van ontwerpers en bedrijfscollecties kunnen niet meer privé beheerd worden en vragen om onderdak.
Is de tijd rijp voor een verzamel- en presentatiebeleid? Zou voor het internationaal vermaarde Dutch Design een Design Museum de oplossing kunnen zijn?



Wim Crouwel

Het culturele erfgoed belicht

Wat ongemakkelijk dat mijn werk aanleiding vormt voor een avond over cultureel erfgoed. De plotselinge belangsteling voor mijn typografische experimenten uit de jaren zestig heeft ondermeer geresulteerd in de uitgave van gedigitaliseerde fonts in Engeland en de tentoonstelling bij VIVID.
Ondanks dit ongemakkelijke gevoel waarbij je denkt 'moet dat nu allemaal', is het toe te juichen dat de historie van ons vak de laatste tijd steeds meer aandacht krijgt.
Het initiatief tot het NAGO (Nederlandse Archief Grafisch Ontwerpers) door Ben Bos, is hartverwarmend. En de stichting van het Museum voor grafisch ontwerpen in de Beyerd in Breda doet de hoop toenemen dat de belangstelling ook nog in structurele, goede banen kan worden geleid.

Mijn eigen werk is altijd ontstaan op basis van de kennis van de geschiedenis van ons vak. In mijn vormende jaren, zo voor mijn 30ste, was ik gefascineerd door het werk van onze grote voorgangers. Bij mij was dat dicht bij huis, in Groningen, in de eerste plaats het werk van Werkman. Ik had het geluk dat ik één van de beste vrienden van Werkman kende waar ik in aanraking kwam met diens werk. Iemand die mij ook enthousiast kon maken.
Later kwamen Piet Zwart en Paul Schuitema in mijn gezichtsveld. Eerst via de postzegelverzameling van mijn vader.
En na de academie, begin jaren 50, gedurende mijn eerste baantje bij een tentoonstellingsbedrijf, ontmoette ik Zwitserse ontwerpers, die vrienden voor het leven werden. Weer later, in de jaren dat ik met Kho Liang Ie samenwerkte, begon alles zo'n beetje op z'n plaats te vallen. Dan komt het eigenwijze moment dat je denkt dat je het wel weet. Waarvan je dan al gauw weer terugkomt.
Ik meen dat kennis van de geschiedenis onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van inzicht. Je kunt niet zonder. Het is een belangrijke taak in het onderwijs om studenten geïntereseerd te krijgen door het met veel overtuigingskracht en plezier te doceren.
Studenten zijn in hun academietijd absoluut niet ontvankelijk voor geschiedenis. Ze zijn vanzelfsprekend in de eerste plaats gefocust op hun werk, ze willen scoren. Daarom verwacht ik alleen maar heil van begenadigde docenten, van de echte verhalentellers.
In het academieverleden was Joop Hardy zo iemand, de latere directeur van de AKI in Enschede.

Dat vraagt ook om een bijzondere aanpak op educatief gebied van het instituut in Breda.
Ons erfgoed op alle gebieden van de cultuur moet daarom gekoesterd worden. Niet omwille van het verzamelen, maar om het door te kunnen geven aan volgende generaties. Dat geldt voor alle disciplines. In ons vakgebied kan het werk van NAGO daarom niet genoeg worden gewaardeerd, evenals in het vakgebied van architectuur het NAI (Nederlands Architectuur Instituut)
Het moeilijkste waar deze instellingen mee worstelen zijn de selectiecriteria. Hoe bepaal je wat de moeite waard is om te bewaren. Deze criteria zullen wel voortdurend grond voor discussie blijven, dat is onontkoombaar. Ze zullen ook steeds worden bijgesteld, het is een dynamisch proces in de tijd.